Legal warning: Photos can only be used with my consent. I will not tolerate usage in sensionalist articles that put this minority in a bad light.

De Cortorari in Roemenië zijn koperslagers die vooral “Cazane de Ţuica”, koperen destilleerketels maken. Die worden gebruikt om pruimenbrandewijn (een soort slivovica) mee te maken, een favoriete hobby van de plattelandsbevolking in Oost Europa. Verder maken ze nog wat spul zoals koperen koffiekannetjes, voor de steeds talrijker wordende toeristen.

Door Roemenen en door Nederlanders die in de streek hadden gewoond was ik gewaarschuwd: Vechtersbazen, woestelingen, dieven, kortom onvriendelijke lui zouden de Cortorari zijn. Maar tijdens mijn herhaalde bezoekjes aan drie verschillende dorpen waren ze in een hele goeie bui. Op die enkele kleuter na dan, die “vaffanculo” riep. Ik werd onder andere bij een gezin op een bescheiden bruiloftsfeestje uitgenodigd en getrakteerd op wijn, vișinată, en varkensvlees met een buitensporige hoeveelheid vet eraan op brood. Geen bruid of bruidegom gezien overigens. Bij een paar koperslagers die op straat hun “Cazane” aan het maken waren heb ik een tijdje rondgehangen. Het was warm in de zon, en al snel vroegen ze of ik even een tweeenhalve literfles koud bier kon gaan halen. Op mijn kosten natuurlijk. Geen probleem, en in de tussentijd haalden zij de zelfgestookte brandewijn erbij. Gezellige boel werd dat, dus redelijk in de lorem ging ik ‘s avonds weer terug naar mijn verblijfsadres.

De meeste Cortorari kleden zich nog traditioneel, de mannen dragen bijna allemaal zwarte breedgerande hoeden, hipster-style. De vrouwen dragen lange rode plooirokken. Ook de kinderen zijn zo gekleed. Rond hun 50ste laten de mannen hun baard staan. Toen ik vroeg of dat nog een speciale betekenis had kreeg ik als antwoord “Sunt bătrân” (Ik ben oud). Een jongere zei dat hij later onder geen voorwaarde zijn baard zou laten staan, die traditie zal dus jammer genoeg samen met de oude mannen wel verdwijnen.

Veel Cortorari zijn al jaren bezig met het bouwen van opvallende kasten van huizen. Een deel van de wijkjes wordt ermee volgebouwd, pal naast de kleinere traditionele huizen. Drie jaar geleden was er in het grootste dorp één opvallend rood geschilderd huis dat aan de buitenkant helemaal afgewerkt was. De rest bestond uit enorme casco’s van beton en slordig gemetselde holle bakstenen. Dit jaar waren er weer wat van die casco’s bijgebouwd, maar nog steeds was geen enkel huis helemaal afgewerkt. Het schijnt dat dit soort huizen vaak maar een of twee bewoonbare kamers hebben, en er soms niet eens een wateraansluiting is. Niet iedereen is gecharmeerd van de bouwwoede in het dorp. Eén van de oude mannen zijn afkeuring voor de huizen duidelijk blijken met een misprijzende uitdrukking c.q. gebarentaal, alsof hij wilde zeggen “Wat moet je ermee, allemaal uitsloverij!”.

Ik vroeg aan een Roemeense taxichauffeur of hij wist hoe ze aan het geld kwamen voor die huizen. Hij wist het niet, maar hij maakte met een graaiend gebaar duidelijk dat ze het wel bij elkaar gestolen zouden hebben. Dat was dezelfde taxichauffeur die mij probeerde op te lichten door een dertig procent te hoge ritprijs te rekenen. De huizen kunnen ze deels bekostigen door hun (uitstervende) ambacht, maar ook door familieleden die geld verdienen als seizoensarbeider in de kassen in West-Europa. Sommigen worden ook gevraagd als koperbewerker in Italie. Een man vertelde me dat hij als koperslager zelfs in de V.S. had gewerkt.

De oudere vrouwen en de mannen met de baarden weten dat er bij bezoekende toeristen, fotografen of antropologie studenten uit West Europa wel wat te halen valt. En dat klopt, want na de bezoeken aan hun dorpen was ik aardig wat Roemeense leu’s lichter door het frequente gebedel. De jongeren staan er soms wat bedeesd bij te kijken als oma of opa om geld staat te vragen, alsof ze een soort plaatsvervangende schaamte voelen voor deze ‘traditionele gebruiken’ van hun grootouders. Vragen staat vrij natuurlijk, maar als ik het uitdelen wel weer even genoeg vond kwamen de grote huizen wel goed van pas: “Maar u bent rijk, u heeft een groter huis dan ik!” zei ik dan. “Nee, dat is het huis van de buren!”, was dan het antwoord. Terwijl ze even later gewoon in dat huis verdwijnen… Grappige lui toch wel, die Cortorari.